De Sociaal Economische Raad (SER) wil zzp’ers opnemen in het bestuur. Dat heeft de SER aan minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken geadviseerd. Het huidige aantal zetels voor werknemers-
en werkgeversorganisaties verandert
echter niet en blijft 22 in totaal.
De nieuwe bestuursleden worden namelijk gerekruteerd uit de zzp-clubs die door werkgevers en werknemers zelf zijn opgezet.
Hoe komt het dat zzp’ers zo in de belangstelling staan in de bestuurlijke polder van Nederland? En is de gekozen oplossing om hen via de klassieke werkgevers- en werknemersorganisaties te laten vertegenwoordigen wel zo verstandig?
Ondanks de crisis groeit het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) gestaag door. In 2009 waren het er al 640.000, wat betekent dat 9% van de beroepsbevolking als éénpitter door het leven gaat. Dat is een substantiële groep. Ondanks de crisis groeit hun aantal nog steeds gestaag. Volgens het CBS komen er iedere maand 8.000 bij. Dat gebeurt overigens lang niet altijd uit weelde, want veel ontslagen werknemers besluiten bij gebrek aan vacatures een poging te wagen op het ondernemerspad. De zzp’er is samen met de uitzendkracht de flexibele schil van de arbeidsmarkt. Die positie is fijn als de conjunctuur meezit, maar nu het economisch een stuk minder gaat ervaart menig zzp’er dat het niet meevalt om aan betaalde opdrachten te komen. In feite is er sprake van een flinke verborgen werkloosheid.
Feit is wel dat zzp’ers alleen al in getal een steeds belangrijkere groep worden. Ik zie hun aantal in de komende 10 jaar wel stijgen naar 20% van de beroepsbevolking. Zij verdienen dus ook een stem als het gaat om sociaaleconomische onderwerpen die in de SER worden besproken. Dan gaat het bijvoorbeeld om sociale zekerheid, arbeidsvoorwaardenvorming, ontslagrecht en arbeidsmarktbeleid. Ook voor de SER is deelname van deze nieuwe groep arbeidskrachten bittere noodzaak. De arbeidsverhoudingen in Nederland veranderen en de SER moet mee om niet uit de tijd te raken, als het daarvoor al niet te laat is.
Het probleem doet zich wel voor dat niemand de zzp’er goed kan vertegenwoordigen. De diversiteit is enorm en zij zijn niet collectief verenigd. De legitimatie van werkgevers- en werknemersorganisaties om namens de zzp’er in het strijdperk te treden is op zijn minst twijfelachtig. Hiervoor zijn drie argumenten aan te voeren:
- De eerste reden ligt nogal voor de hand: de zzp’er is noch werknemers, noch werkgever. Bonden en werkgevers zien hun invloed langzaam slinken door de opkomst van al die zelfstandige ondernemers die maar weinig ophebben met polderoverleg en collectiviteit. Het is daarom alleen al uit eigen lijfsbehoud slim om je op deze nieuwe groep te richten. Maar daarmee is het legitimiteitprobleem niet opgelost.
- Bovendien is slechts een klein deel van de zelfstandigen aangesloten bij de klassieke werknemersorganisaties.